Koninkrijksrelaties

Mondelinge vragen van het lid Bosman (VVD) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over een fraudegevoelige lening van 150 miljoen dollar van de Centrale bank van Curacao en Sint Maarten (CBCS) aan het havenbedrijf van Sint Maarten die buiten de boekhouding van de overheid blijft en zo ontsnapt aan het door Nederland ingestelde toezicht (rnw.nl, 12 april 2012) (ingezonden 17 april 2012).

Vragen van het lid Bosman aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over een fraudegevoelige lening van 150 mln. dollar van de Centrale bank van Curaçao en Sint-Maarten (CBCS) aan het havenbedrijf van Sint-Maarten die buiten de boekhouding van de overheid blijft en zo ontsnapt aan het door Nederland ingestelde toezicht.

 

De heer Bosman (VVD):

Mijn vraag is in de aandeordestelling al bijna gesteld. Toen ik het bericht las over die obligatielening van 150 mln. dollar voor het havenbedrijf van Sint Maarten op 15 maart jongstleden, heb ik daar mijn zorgen over geuit tegenover de minister. Deze leenconstructie omzeilde het toezicht van Nederland op de landsbegrotingen van Curaçao en Sint Maarten. Dit toezicht is ingesteld na het betalen van ruim 1,5 mld. van de staatsschuld van de Nederlandse-Antillen, waar Sint-Maarten onderdeel van was. In reactie op mijn zorgen, gaf de minister aan dat het havenbedrijf als overheids-nv van Sint-Maarten een privaatrechtelijke onderneming is. Daarmee was de kous af.

            Wat schetst echter mijn verbazing? Nu blijkt dat de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten borg staat voor deze lening met een repurchase-faciliteit. Deze obligaties kunnen dus altijd worden terugverkocht aan de bank voor de originele prijs. Als de lening niet naar wens rendeert en de waarde van de obligaties onder de prijs zakt, lijdt de centrale bank schade. Naar mijn mening is hier sprake van een garantstelling door de overheid van Sint-Maarten. Is de minister het hiermee eens?

 

Minister Spies:

Voorzitter. De heer Bosman citeerde uit antwoorden op vragen die hij eerder heeft gesteld. Daarin hebben wij aangegeven dat de lening die de haven heeft gekregen aan de haven als privaatrechtelijke onderneming is verstrekt en daarmee niet valt onder de bepalingen van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten. Het feit dat de centrale bank zich volgens de informatie van de heer Bosman garant stelt voor deze lening, maakt niet dat de Nederlandse regering daar ogenblikkelijk iets van moet vinden, om het maar even heel huiselijk te zeggen. De Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten is de centrale bank van de landen Sint-Maarten en Curaçao. Daar moet die discussie dus primair worden gevoerd.

 

De heer Bosman (VVD):

Dat is volstrekt helder. Het er direct iets van vinden, is echter vastgelegd in de regelingen die wij hebben getroffen met de landen. Het gaat om de vraag wie uiteindelijk het risico draagt. Als dat de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten is en daarmee het land Sint-Maarten, is er sprake van een financieel risico ten gevolge van een lening waar het land van Sint-Maarten op kan worden aangesproken. De VVD-fractie is van mening dat hier sprake is van een geldlening in het kader van artikel 16 van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten. Zelfs als de minister zou vinden dat die redenering in strikt juridische zin niet klopt, wenst de VVD-fractie dat het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, dat wij met zijn allen hebben aangesteld, volledige inzage krijgt in de financiële situatie van de verschillende overheids-nv's en de daarbij behorende leningen. Eerder zou een begroting van Sint-Maarten of Curaçao niet goedgekeurd mogen worden door datzelfde college. Kan de minister garanderen dat het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten volledige inzage krijgt en dat de financiële situatie van de overheids-nv's wordt meegewogen in het al dan niet goedkeuren van de begrotingen van Curaçao en Sint-Maarten?

 

Minister Spies:

Dan zouden wij de spelregels die met het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten zijn afgesproken, moeten veranderen. Het college financieel toezicht heeft in zijn eerste voorlopige waardering gewezen, zowel voor Sint-Maarten als voor Curaçao, op het risico van de vermenging van overheidfinanciën met de financiën van nogal wat nv's. Het college heeft daarbij heel nadrukkelijk aangegeven dat het niet in zijn bevoegdheid ligt om de financiën van die overheids-nv's te beoordelen en daar volledig inzicht in te krijgen. Het moet zich op dit moment nog finaal uitspreken over inmiddels door de Staten van Sint Maarten goedgekeurde begroting. Het voorstel dat de heer Bosman doet, kan uitsluitend worden uitgevoerd als wij collectief besluiten om het college van toezicht meer ruimte, meer verantwoordelijkheid en meer bevoegdheden te geven dan het op dit moment heeft.

 

De heer Bosman (VVD):

Daar ben ik het niet mee eens. Het is maar hoe je de regeling leest en daarmee invulling geeft aan de verantwoordelijkheid van een dergelijk college van financieel toezicht. Het gaat er ook om hoeveel zorgen je je maakt over de financiële situatie. Wij kunnen wel heel voorzichtig zijn, ons terugtrekken en kijken wanneer en waar het schip gaat stranden. Die verantwoordelijkheid is aan eenieder om in te vullen. Wij moeten niet heel voorzichtig langs elkaar heen bewegen. Er moet duidelijkheid worden gegeven wat betreft de rol die ieder heeft op financieel gebied.

            Nu blijkt ook nog eens dat de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten zelf onder vuur ligt. Deze lening van 150 mln. dollar blijkt buiten de raad van commissarissen om te zijn toegekend. Er is nu sprake van een mogelijke splitsing van deze bank in een deel voor Sint-Maarten en een deel voor Curaçao. De minister heeft gezegd dat zij deze ontwikkeling met zorg volgt.

            De VVD maakt zich grote zorgen over het verschil tussen de rol die de Centrale Bank moet spelen en de rol die zij nu speelt. De directeur van de bank is op verschillende momenten negatief in beeld geweest. Door deze lening van 150 mln. buiten de raad van commissarissen om te verstrekken, versterkt hij het beeld dat er geen sprake is van transparantie en vertrouwen binnen de bank, en ook niet daarbuiten. Kan de minister zeggen welke mogelijkheden zij heeft om te voorkomen dat beide landen op eigen houtje stappen zetten om tot splitsing over te gaan?

 

Minister Spies:

Wij hebben in het Statuut afgesproken dat er een gemeenschappelijke centrale bank is voor de landen Curaçao en Sint-Maarten. De splitsing staat dus op gespannen voet met het Statuut. Ik constateer tot mijn genoegen dat de raad van commissarissen sinds heel recent in ieder geval weer op sterkte is. Ik heb tot op heden geen signalen ontvangen dat de raad van commissarissen ook wil bewilligen in een splitsing, hoewel beide regeringen hierop speculeren.

            Ik deel overigens zeer de zorgen van de heer Bosman. Het feit dat de Centrale Bank in twee landen onderwerp is van discussie, is niet goed voor het aanzien van de bank. Het is ook niet goed voor de financiële stabiliteit en het vertrouwen in de Centrale Bank. Wij delen deze zorg dus zonder meer.

 

De heer Brinkman (Brinkman):

Ik kan me voorstellen dat er zorg is over de integriteit als in die bananenrepubliek de directeur van de nationale bank en de minister-president met elkaar overhoop liggen over wie de grootste crimineel is. Als het havenbedrijf failliet gaat en die 150 mln. garantiestelling toch wordt betaald, kan de minister dan garanderen dat dit geld niet door Nederland wordt betaald, ook niet als de Antilliaanse eilanden opnieuw met een bedelend handje naar Nederland komen vanwege de waarborgfunctie en het Statuut dat de minister noemde?

 

Minister Spies:

Iets garanderen is in de politiek buitengewoon gevaarlijk. Ik acht het echter buitengewoon onwaarschijnlijk dat er een positief antwoord wordt gegeven als andere landen binnen het Koninkrijk dit soort verzoeken doen aan de Nederlandse regering.

 

De heer Lucassen (PVV):

Wij hebben bijna 2 mld. aan de eilanden gegeven. Wij hebben het College financieel toezicht ernaartoe gestuurd om ervoor te zorgen dat er niet opnieuw schulden worden gemaakt. Nu blijkt echter dat het College financieel toezicht er niet voor kan zorgen dat er een sluitende begroting is. Daarnaast heeft het geen zicht op alle uitgaven en schulden van de overheids-nv's. Bovendien heeft het geen zicht op alle garanties die worden afgegeven door de Centrale Bank van Curaçao en Sint-Maarten. Hoe gaat het College financieel toezicht ons en de Nederlandse belastingbetaler beschermen tegen het opbouwen van nieuwe schulden door die eilanden?

 

Minister Spies:

Ik heb al gezegd dat het College financieel toezicht heel nadrukkelijk heeft gewaarschuwd voor de vermenging van de landsbegrotingen met de vele overheids-nv's. Dat is overigens voor het college een grotere zorg op Curaçao dan op Sint-Maarten, in ieder geval tot nu toe. Het College financieel toezicht moet een positief advies geven over de begroting van de landen Curaçao en Sint-Maarten. Voor Sint-Maarten heeft het college dat tot op de dag van vandaag nog niet gedaan. Wij zijn dus in afwachting van het finale oordeel van het College financieel toezicht over de recent vastgestelde begroting door de Staten van Sint-Maarten.

 

De heer Van Bochove (CDA):

De minister zegt terecht dat het College financieel toezicht een positieve waardering moet geven over de begroting van beide landen. De overheids-nv's zijn daar feitelijk mee verbonden. Dat is onomkeerbaar in deze situatie. Dan kan de minister toch niet staande houden dat het College financieel toezicht de situatie bij de overheids-nv's niet moet betrekken bij zijn beoordeling van de begroting?

 

Minister Spies:

Dat is precies wat het college doet. Het legt de vinger op de risico's die de vermenging met zich meebrengt. Dat laat onverlet dat het college op dit moment niet de bevoegdheid heeft om het onderzoek naar de administratie en de boeken van de overheids-nv's te doen.