Koninkrijksrelaties

Mondelinge vragen van het lid Bosman (VVD) aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het bericht «St Eustatius heeft recht op een referendum als onderdeel van de evaluatie» (thedailyherald.com, 30 oktober 2013) (ingezonden 5 november 2013).

Vragen van het lid Bosman aan de minister van Binnenlandse Zaken en

Koninkrijksrelaties over het bericht "Sint-Eustatius heeft recht op een

referendum als onderdeel van de evaluatie".

 

De voorzitter:

Ik heet de mensen op de publieke tribune en de mensen die dit debat thuis volgen,

van harte welkom.

 

De heer Bosman (VVD):

Voorzitter. Statia wil een referendum. Dat is aan de orde gekomen tijdens de CNweek,

de Caribisch Nederland-week. Wat schetst mijn verbazing? Statia heeft de

ambitie om zelf te kiezen voor de toekomst, maar er blijkt door de Nederlandse

overheid een beperking te zijn opgelegd. Het betreft een inkadering: prima wat u met

uw eigen toekomst wilt, maar dat moet wel passen binnen het Nederlandse kader.

Daar ben ik zeer bezorgd over. Wij hebben een aantal keuzes binnen het Koninkrijk.

Wij hebben ook een ambitie binnen het Koninkrijk. Dat geeft aan dat de volwassen

relaties verder mogen en kunnen groeien. Dan moeten wij niet van tevoren vanuit

Nederland met een inkadering komen die de rechten van de mensen aldaar verder

zou beperken. Is er volgens de minister sprake van een bepaalde

vooringenomenheid en een kader waarbinnen de landen van het Koninkrijk zich

moeten bewegen? Zo ja, waarop is die vooringenomenheid gebaseerd?

 

Minister Plasterk:

Voorzitter. Laat ik allereerst benadrukken dat de vraagstelling voor de evaluatie van

de positie van de openbare lichamen nog gemaakt moet worden. Vorige week

hebben wij tijdens de Caribisch Nederland-week afgesproken dat wij met de drie

eilanden en Nederland een werkgroep zullen vormen om de vraagstelling

gezamenlijk op te stellen. Er is dus nog niets vastgelegd over de vraagstelling van de

evaluatie.

Ik zeg twee dingen in reactie op de vragen die zijn gesteld. Allereerst is zelfs in het

Handvest van de Verenigde Naties geregeld dat een voormalige kolonie op elk

moment de vrijheid heeft om uit een verband te stappen. Daarvoor moet slechts de

mening van het volk nadrukkelijk worden getoetst. Een referendum is daarvoor op elk

moment een reële optie. Ik mag wel hopen dat er, mocht er ooit in een bepaald deel

van het Koninkrijk zo'n referendum komen, een reële optie wordt voorgelegd en dat

men zich realiseert dat er zo'n 300 miljoen euro per jaar vanuit de rijksbegroting van

Nederland naar de openbare lichamen gaat. Naar Statia toegerekend, betreft het

misschien 40 miljoen per jaar. Als men zou besluiten om uit te treden, heeft dit

natuurlijk ook consequenties voor de bijdrage vanuit Nederland aan Statia. Er moet

de bevolking dus altijd een reële keuze worden voorgelegd.

Ik maak ook een tweede kanttekening. De vraagstelling moet nog worden

geformuleerd, maar mijn inzet tijdens de evaluatie is dat het niet verstandig is om

elke vijf jaar de staatkundige verhoudingen helemaal opnieuw, blanco, te gaan

verzinnen. Mijn uitgangspunt zal zijn om, aan de hand van wat wij vijf jaar geleden

hebben geconstrueerd, te bekijken of wij die constellatie kunnen verbeteren zodat die

beter werkt. Dat zou mijn startpositie zijn in dat gesprek, maar een ander kan een

andere startpositie hebben.

 

De heer Bosman (VVD):

De startpositie van Nederland is afwachtend; wij hebben hierin geen leidende rol. Dat

is namelijk aan de landen zelf. De vraag moet dus altijd zijn: wat wenst u; hoe wilt u

dat doen en hoe gaan we dat regelen? Ik maak mij wel een beetje zorgen om het

antwoord van de minister, omdat hij aangeeft: het is allemaal leuk en aardig, maar u

kunt nu kiezen voor Nederland of u stapt eruit. Hij zegt ook: aan deze kant hebben

wij de zak met geld, maar aan de andere kant is er helemaal niets. Dat is echter niet

waar. Er zijn namelijk veel meer mogelijkheden. Dat gaat in goed overleg met elkaar,

waarbij wij verschillende opties hebben. Mensen in deze Kamer zullen vast weten dat

de VVD en de SP samen een notitie hebben gemaakt over bijvoorbeeld een

gemenebestconstructie, waarbij heel veel tussenliggende opties mogelijk zijn. Ik vind

het dus absoluut niet terecht dat de minister op dit moment zegt: het is óf Nederland

met de zak met geld, óf eruit treden en dat heeft consequenties. Dat vind ik heel

zorgelijk, want dat legt een bepaalde spanning op het overleg. Dat zorgt ook voor

spanning in de landen en die hoort er niet te zijn. Ik vind het echt vervelend dat dit

soort spanning wordt veroorzaakt. Zoals de minister al zei, is de VN er heel duidelijk

over. Misschien moet ik het even oplezen: "All peoples have the right to selfdeterminination.

By virtue of that right they freely determine their political status and

freely pursue their economical, social and cultural development". Vrij, dus. In totale

vrijheid, zonder dat er een last of druk komt vanuit Nederland.

Ik vind het dus niet verstandig dat Nederland begint met een positie. Mijn vraag aan

de minister is dan ook om dat niet te doen.

 

Minister Plasterk:

Er dreigt hier het risico dat er dat er twee zaken door elkaar heen lopen. Ik hoorde

zojuist de heer Bosman zeggen dat alle landen natuurlijk zelf hun positie in het

Koninkrijk mogen bepalen. Hij verwees naar het voorstel dat hij samen met de heer

Van Raak heeft gedaan over de gemenebestconstructie voor het Koninkrijk. Echter,

de eerste vraag ging natuurlijk niet over landen in het Koninkrijk maar over een

openbaar lichaam in het land Nederland. Tenminste, zo heb ik de vraag over Statia

verstaan.

 

De heer Bosman (VVD):

Het geldt voor iedereen.

 

Minister Plasterk:

Dan nog, overigens, blijft het waar wat de heer Bosman zojuist zei, dat zij als

voormalig onderdeel van een voormalige kolonie op ieder moment het recht hebben

om eruit te treden. In feite, echter, zouden zij dan kiezen voor de variant waar andere

landen in het Koninkrijk ook voor hebben gekozen. En inderdaad, als je Bonaire

vergelijkt met het naastgelegen eiland van de voormalige Nederlandse Antillen, dan

gaat er naar Bonaire ieder jaar 200 miljoen Nederlands rijksgeld en naar de andere,

Aruba en Curaçao, niet meer. Het feit dat je onderdeel bent van Nederland heeft

baten, maar brengt ook met zich mee dat je uiteraard niet de mate van autonomie

hebt die je hebt indien je kiest voor een positie als eigen land binnen het Koninkrijk,

zoals Aruba, Curaçao en Sint-Maarten hebben gedaan.

 

De heer Bosman (VVD):

Het wordt een beetje een technische discussie, maar ieder land binnen het

Koninkrijk, of het nou een BES-eiland is of Aruba, Curaçao of Sint-Maarten, heeft

hetzelfde keuzerecht. Dat punt wil ik principieel neergelegd hebben: het keuzerecht

is principieel, fundamenteel hún recht. Dat er aan de keuze gevolgen zitten, snap ik,

maar dat snapt ieder land. Het is echter wel het gesprek dat we moeten gaan voeren,

maar dan op een neutrale basis vanuit Nederland, waarbij men niet vooringenomen

is in de trant van: luister, als je kiest voor Nederland krijg je die zak met geld maar

daarbuiten niet meer. Er zijn immers nog heel veel tussenliggende opties, waarbij we

heel goed kunnen nadenken over de manier waarop we met elkaar omgaan. Volgens

mij heeft Aruba ook nog steeds geld gekregen terwijl het de status aparte had. Het

zijn dus nog steeds allemaal opties die ter discussie staan en die mogelijk zijn.

Er gaat zo meteen een aantal werkgroepen aan de slag. Die werkgroepen gaan

praten over de toekomst en over de manier waarop we omgaan met elkaar. Ik wil

graag van de minister horen dat er van de kant van Nederland geen onnodige druk

wordt gelegd en geen vooringenomenheid zal zijn en dat de keuze van de landen

echt principieel de hunne is, zonder dat wij daar onevenredige druk op leggen.

 

Minister Plasterk:

Dan gaat het opnieuw over de keuze van de landen. Ik wil daar geen druk op leggen.

Ik wil wel wijzen op de opties waarvoor twee jaar geleden gekozen kon worden. De

ene optie was dat men een autonoom land in het Koninkrijk is. Die landen krijgen nu

geen begrotingssteun meer vanuit Nederland. Hoewel er wel

samenwerkingsverbanden zijn, krijgen Aruba, Curaçao en Sint-Maarten geen

begrotingssteun meer. De andere optie was dat men een openbaar lichaam werd.

Voor de drie openbare lichamen is er wel begrotingssteun, voor 300 miljoen. We

moeten ons realiseren dat er wat dat betreft op ieder moment een keuze voorligt.

We hebben vorige week besloten dat we de vraagstelling voor de evaluatie van de

openbare lichamen gezamenlijk zullen opstellen, vanuit Nederland met de drie

eilanden. Ik kan mij voorstellen dat we bij een volgende gelegenheid ook de

Nederlandse invloed in die vraagstelling met elkaar in een andere context kunnen

bespreken. Ik denk dat het punt van de heer Bosman dan uitgebreider aan de orde

kan komen dan nu mogelijk is door de tijdsbeperking.